Geboortezorg bij Fam
Complicaties tijdens de bevalling

Tijdens een bevalling kunnen complicaties optreden. Sommige complicaties zijn op te lossen, andere niet. Hieronder vind je een aantal complicaties die voor kunnen komen tijdens de bevalling. Als je vragen hierover hebt, kun je natuurlijk ook terecht bij Fam.

Een voorbeeld van het oplossen van een complicatie is het verrichten van een kunstverlossing.

De 2 meest voorkomende situaties waarin besloten wordt om een kunstverlossing te verrichten zijn:

  • Afwijkende hartactie van het kind; het kind heeft het moeilijk en men spreekt van foetale nood
  • Onvoldoende vordering van de uitdrijving; hiervan is sprake wanneer het persen te lang duurt en/of niet voldoende vordert.
Vacuumextractie
+

Bij een vacuümextractie wordt een zuignap op het hoofd van je kind gezet. Daarna wordt deze zuignap vacuüm gezogen. Deze laat dan niet meer vanzelf los. Tijdens een wee moet je blijven persen terwijl er getrokken wordt aan de zuignap. Het kind wordt daarna meestal zonder veel problemen geboren.

Na de geboorte heeft je kind meestal een bult op het hoofd op de plek waar de zuignap heeft gezeten. Dit trekt binnen een paar dagen weg. Ook kan je kind wat hoofdpijn hebben en misselijk zijn van de vacuüm. Doe het de eerste paar dagen maar zeker de eerste 24 uur dus extra rustig aan met je kind. Soms schrijft de kinderarts een pijnstiller voor.

Tangverlossing
+
Er worden twee metalen lepels in de vagina gebracht. Deze omvatten het hoofd van je kind. Tijdens het meepersen wordt er met behulp van de lepels aan het hoofd getrokken. Is het hoofd eenmaal geboren, dan volgt de rest van het lichaam vaak zonder veel problemen. De tangverlossing wordt niet meer vaak gedaan.
Keizersnede
+
Bij een keizersnede wordt je kind via je buikwand geboren. Dit is een operatie die meestal plaatsvindt onder lokale verdoving (ruggenprik). Zo kun je toch nog bewust de geboorte van je kind meemaken. Soms kan gekozen worden voor een algehele verdoving (narcose), met name in zeer acute situaties. We zullen als de situatie dit toelaat, de keizersnede zo natuurlijk mogelijk laten verlopen. Jouw wensen zullen we zoveel mogelijk proberen mee te nemen. De operatie duurt gemiddeld 45 minuten. Je kind wordt meestal vrij snel geboren. Het weer hechten van de buikwond kost meestal meer tijd. Aangezien een keizersnede een behoorlijke grote operatie is, wordt hier alleen voor gekozen wanneer het medisch gezien ook echt noodzakelijk is.
Stuitligging
+

Bij een stuitligging ligt het kind niet met het hoofd naar beneden maar met zijn billen of voeten. Vaak wordt aan het einde van de zwangerschap geprobeerd om het kind te draaien (versie). Lees hier meer over in de folder. Als je kind in stuitligging blijft liggen, dan bespreekt de gynaecoloog samen met jou wat de adviezen en mogelijkheden zijn rondom de bevalling. Zie voor meer informatie de folder stuitligging.

Vastzittende placenta
+
De placenta wordt ook wel moederkoek of nageboorte genoemd. Meestal wordt de placenta binnen 20 minuten na je kind vanzelf geboren. Soms zit de placenta zo vast, dat deze niet vanzelf geboren wordt. Ben je op dat moment onder begeleiding van de verloskundige, dan wordt de zorg overgedragen aan de gynaecoloog. De gynaecoloog kan met extra medicatie alsnog proberen om de placenta spontaan geboren te laten worden. Lukt dit niet dan moet de placenta op de operatiekamer onder algehele verdoving (narcose) verwijderd worden.
Bloeding
+
Bloedverlies tijdens en na de bevalling is normaal. Meteen na de bevalling krijg je standaard medicijnen toegediend om het bloedverlies te beperken. Vaak helpt dit voldoende.  Is dit niet het geval, dan wordt met andere medicatie geprobeerd om het bloedverlies te stoppen, soms is een operatie onder algehele verdoving nodig om het bloeden te stoppen. Bij meer dan 1000cc (een liter) bloedverlies spreken we van een nabloeding (fluxus). 
Dreigende vroeggeboorte (prematuriteit)
+

Begint de bevalling (weeën en/of gebroken vliezen) voor de 37ste zwangerschapsweek dan noemen we dit een dreigende vroeggeboorte. Deze zorg valt onder begeleiding van de gynaecoloog. Een dreigende vroeggeboorte is altijd reden voor opname bij Fam (in het ziekenhuis). 

Langdurig gebroken vliezen 

Circa 10% van de bevallingen begint met het breken van de vliezen. Ruim 70% van de zwangere vrouwen krijgt binnen 24 uur na het breken van de vliezen spontaan weeën. Beval je niet binnen 24 uur na het breken van de vliezen dan spreken we van langdurig gebroken vliezen.  De bevalling vindt dan onder leiding van een gynaecoloog plaats. 

Lees meer over gebroken vliezen in de folder.

Meconiumhoudend vruchtwater
+

Meestal is de kleur van het vruchtwater helder zoals kraanwater, soms met wat vlokjes. Het kan ook een beetje rozig zijn. Dat is normaal. Het vruchtwater kan ook een groene of bruinige kleur hebben. Dan heeft je kind in het vruchtwater gepoept. We noemen dit meconiumhoudend vruchtwater. Als bij het breken van de vliezen tijdens een thuisbevalling blijkt dat je kind in het vruchtwater heeft gepoept, wordt de zorg overgedragen aan de gynaecoloog.

Niet vorderende ontsluiting
+
Van een niet- of onvoldoende vorderende ontsluiting wordt gesproken wanneer de weeën niet voor voldoende ontsluiting zorgen. De weeën zijn dan niet krachtig genoeg of komen niet (meer) regelmatig genoeg.  Door de vliezen te breken wordt geprobeerd de weeën krachtiger te maken. Heeft dit onvoldoende resultaat dan kunnen de weeën versterkt worden met medicatie (weeënstimulerend hormoon) via een infuus. De gynaecoloog (of klinisch verloskundige of arts-assistent onder supervisie van de gynaecoloog) begeleidt dan de bevalling.