Vacuümverlossing

Een vacuümverlossing is een manier om je kind sneller geboren te laten worden. Er wordt een zuignap op het hoofd van je kind geplaatst, daarna wordt deze zuignap vacuüm gezogen. Deze laat dan niet meer vanzelf los. Tijdens een wee moet je blijven persen terwijl de gynaecoloog tegelijkertijd aan de zuignap trekt. Soms wordt dit enkele keren herhaald.

Na de geboorte heeft je kind meestal een bult op het hoofd op de plek waar de zuignap heeft gezeten. Dit trekt binnen een paar dagen weg. Ook kan je kind wat hoofdpijn hebben en misselijk zijn van de vacuümverlossing. Geadviseerd wordt om de eerste paar dagen, maar zeker de eerste 24 uur, extra rustig aan te doen met je kind. Om de eventuele hoofdpijn te verzachten krijgt je kind een zetpil paracetamol.

De arts van de Kindergeneeskunde zal je kind nakijken waarna jullie voor een (deel van de) dag worden opgenomen op de Moeder & kindafdeling van Fam. In sommige gevallen kan dit ook op het kraamhotel.

Tangverlossing

Een tangverlossing is een manier om je kind sneller geboren te laten worden. Er worden twee metalen lepels om het hoofd van je kind gelegd. Tijdens het meepersen trekt de gynaecoloog de lepels naar buiten. Is het hoofd eenmaal geboren, dan volgt de rest van het lichaam vaak zonder veel problemen. De tangverlossing wordt niet vaak meer uitgevoerd.

Keizersnede

Een keizersnede wordt geadviseerd als een bevalling op de natuurlijke manier niet mogelijk is of te grote risico’s met zich meebrengt.

Een keizersnede is een operatie waarbij het kind via een snede in de buik ter wereld komt. De operatie duurt ongeveer 45 minuten. Het kind wordt binnen een kwartier na het begin van de operatie geboren. Daarna hecht de gynaecoloog de baarmoeder en de verschillende lagen van de buikwand met onderhuidse hechtingen die vanzelf oplossen.

Bij een geplande en ook bij een ongeplande keizersnede gaan we uit van een ‘natuurlijke’ keizersnede ofwel ‘gentle caesarean sectio’ zoals die standaard bij Fam plaatsvindt. Een natuurlijke keizersnede heeft als uitgangspunt dat moeder en kind na de geboorte niet gescheiden worden. Na de keizersnede word je opgenomen op de Moeder & kindafdeling van Fam. Meer informatie vind je in de folder Keizersnede.

Stuitligging

Bij een stuitligging ligt het kind niet met het hoofd naar beneden maar met zijn billen of voeten. Vaak wordt aan het einde van de zwangerschap geprobeerd om het kind te draaien. Als je kind in stuitligging blijft liggen, dan bespreekt de gynaecoloog samen met jou wat de adviezen en mogelijkheden zijn rondom de bevalling. Zie voor meer informatie de folder Stuitligging.

Vastzittende placenta

De placenta wordt ook wel moederkoek of nageboorte genoemd. Meestal wordt de placenta binnen 20 minuten na je kind vanzelf geboren. Soms zit de placenta zo vast, dat deze niet vanzelf geboren wordt. Ben je op dat moment onder begeleiding van de verloskundige, dan wordt de zorg overgedragen aan de gynaecoloog. De gynaecoloog kan met extra medicatie alsnog proberen om de placenta spontaan geboren te laten worden. Wanneer dit niet lukt is er een groter risico op meer bloedverlies. De placenta moet dan op de operatiekamer onder algehele verdoving (narcose) verwijderd worden.

Bloeding

Bloedverlies tijdens en na de bevalling is normaal. Door het loslaten van de moederkoek (placenta) ontstaat een wond in je baarmoeder. Deze wond wordt kleiner als je baarmoeder goed samentrekt. Meteen na de bevalling krijg je daarom standaard medicijnen toegediend om het bloedverlies te beperken. Vaak helpt dit voldoende. Is dit niet het geval, dan wordt met andere medicatie geprobeerd om het bloedverlies te verminderen. Soms is een operatie onder algehele verdoving nodig om het bloeden te stoppen. Bij meer dan 1000cc (een liter) bloedverlies spreken we van een nabloeding (fluxus). Je wordt dan opgenomen op de Moeder & kindafdeling van Fam. Een fluxus kan zorgen voor vermoeidheid en bloedarmoede. Daarom wordt het ijzergehalte in je bloed gecontroleerd.

Vroeggeboorte (prematuriteit)

Begint de bevalling (weeën en/of gebroken vliezen) voor de 37ste zwangerschapsweek? Dan noemen we dit een vroeggeboorte. De zorg van een vroeggeboorte valt onder begeleiding van de gynaecoloog. Een dreigende vroeggeboorte is altijd reden voor opname bij Fam (in het ziekenhuis).

De conditie van je kind wordt in de gaten gehouden en eventuele weeën worden geregistreerd door middel van een cardiotocogram (CTG) Ook wordt de lengte van de baarmoedermond door middel van een inwendige echo opgemeten. Bij vroegtijdige weeën die tot ontsluiting leiden wordt de baarmoedermond korter.

In bepaalde gevallen kan ook een test worden uitgevoerd. Hierbij wordt vaginaal vocht onderzocht. Dit voorspelt de kans op vroeggeboorte.

Wanneer je minder dan 32 weken zwanger bent, word je overgeplaatst naar een derdelijns ziekenhuis met een NICU-afdeling. Mocht de bevalling doorzetten, dan is er gespecialiseerde opvang voor extreem vroeggeboren kinderen.

Vroegtijdige weeën leiden niet altijd tot een vroeggeboorte. Dankzij behandeling met rust en medicijnen kan de zwangerschap soms enkele dagen tot enkele weken worden verlengd. In sommige gevallen gaat het zelfs zo goed dat vrouwen weer naar huis kunnen en alsnog rond de uitgerekende datum kunnen bevallen.

Langdurig gebroken vliezen

Circa 10% van de bevallingen begint met het breken van de vliezen. Ruim 70% van de zwangere vrouwen krijgt binnen 24 uur na het breken van de vliezen spontaan weeën. Beval je niet binnen 24 uur na het breken van de vliezen dan spreken we van langdurig gebroken vliezen. Als er sprake is van meer dan 24 uur gebroken vliezen, dan vindt een extra controle in het ziekenhuis plaats en zal vanaf dan ook de bevalling in het ziekenhuis onder leiding van een gynaecoloog plaatsvinden.

Via een cardiotocogram (CTG) wordt in het ziekenhuis bekeken of het goed gaat met je kind. Omdat de kans op infectie groter wordt, meet je thuis meerdere malen per dag je temperatuur. Als de bevalling niet vanzelf op gang komt, word je 48 uur na het breken
van de vliezen ingeleid. De bevalling vindt dan onder leiding van een gynaecoloog plaats op de Verlosafdeling van Fam.

Lees meer in de folder Gebroken vliezen. 

Meconiumhoudend vruchtwater

Meestal is de kleur van het vruchtwater helder zoals kraanwater, soms met wat vlokjes. Het kan ook een beetje rozig zijn. Dat is normaal.

Het vruchtwater kan ook een groene of bruinige kleur hebben. Dan heeft je kind in het vruchtwater gepoept. We noemen dit meconiumhoudend vruchtwater. Soms gebeurt dit voordat de weeën beginnen en soms tijdens de bevalling. Omdat veel kinderen die in het vruchtwater poepen geen problemen hebben bij de geboorte, kan het gewoon betekenen dat het kind volgroeid is. Maar het kan ook een teken zijn van stress en zuurstoftekort. Kinderen die in het vruchtwater hebben gepoept hebben soms extra zorg nodig na de bevalling.

Hoewel het risico klein is, wordt geadviseerd in het ziekenhuis te bevallen. Als bij het breken van de vliezen tijdens een thuisbevalling of tijdens een bevalling in het Kraamhotel blijkt dat je kind in het vruchtwater heeft gepoept, wordt de zorg overgedragen aan de gynaecoloog.

Na de bevalling worden jullie een dagdeel opgenomen op de Moeder & kindafdeling van Fam voor observatie van je kind.

Niet vorderende ontsluiting

Er wordt gesproken van een niet- of onvoldoende vorderende ontsluiting wanneer de weeën niet voor voldoende ontsluiting zorgen. De weeën zijn dan niet krachtig genoeg of komen niet (meer) regelmatig. Door de het breken van de vliezen wordt geprobeerd de weeën krachtiger te maken. Als dit onvoldoende resultaat heeft, kunnen de weeën versterkt worden met medicatie (weeën-stimulerend hormoon Oxytocine) via een infuus. De klinisch verloskundige of arts-assistent begeleidt dan de bevalling onder supervisie van de gynaecoloog. Na de bevalling kunnen jullie gewoon naar huis of naar een kraamsuite in het Kraamhotel van Fam.

Bevallen na een eerdere keizersnede

Na een eerdere keizersnede kun je kiezen voor een vaginale bevalling. De bevalling vindt dan plaats in het ziekenhuis op de Verlosafdeling van Fam. Tijdens de bevalling wordt de conditie van het kind gevolgd door middel van een cardiotocogram (CTG). Ook krijg je een infuus, zodat we bij eventuele problemen snel kunnen handelen. Samen met je partner en gynaecoloog maak je in de zwangerschap een keuze over de manier van bevallen: een vaginale bevalling of een geplande keizersnede.